Mar 2011
Lente
13/03/11 20:07
Twee jaar geleden vroeg de redactie van De Standaard Magazine om een lentefoto door te sturen. Ik koos voor dit beeld:

Vorige week stond onderstaande tekst in De Standaard, geschreven door Guinevere Claeys. Tekst en beeld ontmoeten eindelijk elkaar.
Het is het ergste. Erger nog dan er niet te zijn, is dit: er niet zijn terwijl je er bent. Omdat niemand je ziet. Niemand je hoort. Triester: niemand je mist. Nog triester: omdat niemand naar je verlangt. Dat was nu nog eens een onderzoeksresultaat waar we het koud van kregen deze week: dat negentigduizend Vlaamse zestigplussers maar één keer per maand iemand zien. En dat is dan nog als ze geluk hebben: meestal is het minder. Eén mens per maand, twaalf per jaar. Dat is een volle winter door met drie ontmoetingen. Onthutsend, de eenzaamheid zoals ze is. Jazeker, een ontstellend bericht.
En ook niet. We kennen allemaal wel één van die negentigduizend. Het is die man die vijf huizen verder woont. Weduwnaar, al vijf jaar intussen. Kinderen? Eén. Een zoon, het slechte pad op geraakt. In één klap zijn gezel, zijn motor, en bovenal: zijn brug naar de wereld kwijt. Alle contacten, ook die breekbare met de zoon, die hield zij aan de hand. En zo: een epiloog in ondubbelzinnige eenzaamheid. Bakker, beenhouwer, apotheker: zorgvuldig te spreiden en zuinig te consumeren hoogtepunten. Áls die er nog zijn. Want hoe stiller daarbinnen, hoe ondraaglijker luid daarbuiten. Dat is het venijnige aan die eenzaamheid. Dat je er op de duur in gaat geloven. In wilt geloven, alleen zo wordt het draaglijk. En dus ‘is het belangrijk dat eenzaamheid vroegtijdig wordt aangepakt', beval ons de VUB-professor die de onderzochte treurnis toelichtte. Vroegtijdig, welja. Liever dan enkele weken na hun stille sterven, zoals de eenzaamheid ons de laatste tijd steeds vaker uitlacht.
Maar goed, kijk nu: 't wordt lente.

Vorige week stond onderstaande tekst in De Standaard, geschreven door Guinevere Claeys. Tekst en beeld ontmoeten eindelijk elkaar.
Het is het ergste. Erger nog dan er niet te zijn, is dit: er niet zijn terwijl je er bent. Omdat niemand je ziet. Niemand je hoort. Triester: niemand je mist. Nog triester: omdat niemand naar je verlangt. Dat was nu nog eens een onderzoeksresultaat waar we het koud van kregen deze week: dat negentigduizend Vlaamse zestigplussers maar één keer per maand iemand zien. En dat is dan nog als ze geluk hebben: meestal is het minder. Eén mens per maand, twaalf per jaar. Dat is een volle winter door met drie ontmoetingen. Onthutsend, de eenzaamheid zoals ze is. Jazeker, een ontstellend bericht.
En ook niet. We kennen allemaal wel één van die negentigduizend. Het is die man die vijf huizen verder woont. Weduwnaar, al vijf jaar intussen. Kinderen? Eén. Een zoon, het slechte pad op geraakt. In één klap zijn gezel, zijn motor, en bovenal: zijn brug naar de wereld kwijt. Alle contacten, ook die breekbare met de zoon, die hield zij aan de hand. En zo: een epiloog in ondubbelzinnige eenzaamheid. Bakker, beenhouwer, apotheker: zorgvuldig te spreiden en zuinig te consumeren hoogtepunten. Áls die er nog zijn. Want hoe stiller daarbinnen, hoe ondraaglijker luid daarbuiten. Dat is het venijnige aan die eenzaamheid. Dat je er op de duur in gaat geloven. In wilt geloven, alleen zo wordt het draaglijk. En dus ‘is het belangrijk dat eenzaamheid vroegtijdig wordt aangepakt', beval ons de VUB-professor die de onderzochte treurnis toelichtte. Vroegtijdig, welja. Liever dan enkele weken na hun stille sterven, zoals de eenzaamheid ons de laatste tijd steeds vaker uitlacht.
Maar goed, kijk nu: 't wordt lente.




















